Hoe houd je als installateur grip op de koudemiddelentransitie?
De nieuwe F-gassenverordening is inmiddels al ruim twee jaar van kracht. Toch horen we in de praktijk dat er nog altijd onduidelijkheid is. Niet omdat installateurs de techniek niet begrijpen, maar omdat regelgeving, productdata, GWP-grenzen, uitzonderingen en certificering snel door elkaar gaan lopen. Met dit artikel willen we helpen om de belangrijkste punten helder op een rij te zetten.
Het uitgangspunt is: een bestaande installatie met een ouder koudemiddel is niet automatisch verboden. Maar de ruimte om met bepaalde koudemiddelen te blijven werken wordt stap voor stap kleiner. De impact zit vooral in nieuwe installaties, onderhoud, bijvullen, lekcontroles, registratie en vakbekwaamheid.
1. Begin met een installatie-inventarisatie
Grip begint met overzicht. Breng per installatie in kaart welk koudemiddel aanwezig is, hoeveel kilogram koudemiddel het systeem bevat, wat de GWP-waarde is, hoe oud de installatie is, welke toepassing het betreft en welke onderhoudshistorie bekend is.
Daarmee wordt zichtbaar welke installaties nog prima door kunnen, welke extra aandacht vragen en waar vervanging of ombouw op termijn verstandiger is. Een installatie met een hoge GWP, een grote koudemiddelinhoud of een lekkagehistorie vraagt om een andere aanpak dan een stabiel systeem met beperkte inhoud.
2. Maak onderscheid tussen toegestaan en toekomstbestendig
Een bestaande installatie hoeft niet direct vervangen te worden omdat er een ouder koudemiddel in zit. Onderhoud blijft in veel gevallen mogelijk. Maar toegestaan is niet hetzelfde als toekomstbestendig.
De F-gassenverordening stuurt op het afbouwen van de hoeveelheid F-gassen die nieuw op de Europese markt mag worden gebracht. Daardoor komen koudemiddelen met een hoge GWP steeds meer onder druk te staan. Niet alleen juridisch, maar ook praktisch. Denk aan beschikbaarheid, prijsontwikkeling en de vraag of een installatie over enkele jaren nog goed te servicen is.
3. Let op de regels voor bijvullen en onderhoud
Voor installateurs zit de directe impact vooral in service en onderhoud. Voor koelapparatuur geldt vanaf 2025 een grens van GWP 2.500 bij onderhoud en service, met tijdelijke uitzonderingen voor gerecycled of geregenereerd koudemiddel. Voor airco- en warmtepompapparatuur geldt deze grens vanaf 2026.
Later worden de grenzen verder aangescherpt. Bijvullen wordt daardoor steeds minder vanzelfsprekend. Reparatie blijft mogelijk, maar moet vaker worden afgewogen tegen beschikbaarheid, kosten, lekkagerisico en resterende levensduur van de installatie.
4. Kijk verder dan GWP alleen
GWP is belangrijk, maar het is niet de enige factor. Een goed advies kijkt ook naar TEWI: Total Equivalent Warming Impact. Daarmee kijk je naar de totale klimaatimpact van een installatie over de levensduur. Die bestaat uit directe emissies, bijvoorbeeld door lekkage of verlies bij onderhoud, én indirecte emissies door het energiegebruik van de installatie.
Dat is belangrijk, omdat een installatie met een laag-GWP koudemiddel niet automatisch de beste keuze is als de energieprestatie slechter is. Efficiëntie, bedrijfszekerheid en lekdichtheid blijven dus net zo relevant als de GWP-waarde van het koudemiddel.
5. Neem veiligheid en ontvlambaarheid mee in de keuze
De overstap naar alternatieve koudemiddelen vraagt ook aandacht voor veiligheid. Koudemiddelen worden ingedeeld in veiligheidsklassen. A1 staat voor niet-brandbaar, A2L voor matig brandbaar, A2 voor brandbaar en A3 voor zeer brandbaar of explosief. De A geeft aan dat het koudemiddel niet-toxisch is. Ammoniak vormt hier een bekende uitzondering op.
Die classificatie bepaalt mede waar en hoe een koudemiddel veilig kan worden toegepast. Denk aan de praktische limiet, ruimte-inhoud, ventilatie, koudemiddelvulling, bereikbaarheid en de toepassing zelf. Een natuurlijk koudemiddel zoals propaan heeft bijvoorbeeld een zeer lage GWP, maar vraagt door de A3-classificatie wel om passende veiligheidsmaatregelen.
6. Zorg dat certificering en registratie op orde zijn
De regelgeving gaat niet alleen over koudemiddelen, maar ook over vakbekwaamheid. Naast F-gassen komt er meer nadruk op certificering voor natuurlijke koudemiddelen zoals CO₂, ammoniak en koolwaterstoffen. Ook registratie, lekcontroles, terugwinning en correct bijvullen blijven essentieel.
Het echte risico zit niet in het aantreffen van een ouder koudemiddel, maar in verkeerd handelen. Denk aan werken zonder de juiste certificering, onjuist bijvullen, ontbrekende lekcontroles of onvoldoende registratie.
De koudemiddelentransitie vraagt niet om paniek, maar om gestructureerd vakmanschap. Wie installaties, koudemiddelen, veiligheid en verplichtingen goed in beeld heeft, kan onderbouwde keuzes maken. Daarmee blijft de techniek beheersbaar, de regelgeving werkbaar en de continuïteit van installaties geborgd.